‘Dit is de voicemail van Rian.
Ik ben er nog niet…’

Mijn naam is Rian. Op de dag dat ik ten huwelijk werd gevraagd,
ontmoette ik ‘mijn’ man. Wat denk je, kun je spelen zonder in te zetten, zonder dat er wat te winnen valt? Kun je een avontuur aangaan, vrijblijvend, en daarmee dan een voorschot nemen op de goede afloop ervan? 

Op dit moment lijkt het wel een eeuw geleden dat ik dagboekachtige briefjes schreef en die onder mijn kussen bewaarde. In de tussentijd zijn we inderdaad al vér in het nieuwe millennium nu ik de pen weer pak – een noodgreep, lijkt het, om het leven eens even op een rij te zetten. Maar mijn enige benul van wat schrijvers precies doen, is: lezen. 

Wanneer het mij lukt om mijn werk te parkeren voor ‘morgen weer een dag’, kan ik verdwijnen in boeken en daarmee mijn dagelijkse vraagstukken over licht, décor en het effect ervan voor even in hun eigen ruimte laten zweven. Van licht-verteerbaar tot klassieker, voor mij loopt er vaak een rechtstreekse, onzichtbare lijn van het verhaal naar mij als lezer, die kan verworden tot betekenis van het strikt persoonlijke soort. Now we’re talking, nu gaat het ergens over, denk ik vaak opgetogen bij passages waar het drama op de spits wordt gedreven.  
   Geschreven verhalen; maar ook verhalen op het witte doek of op de planken gebracht; vaak is er die directe lijn tussen mij en het verhaal – wanneer ik dondersgoed begrijp wat er gebeurt, maar er toch -en juist- nog altijd lekker het mijne van maak. 

Zo kon het verhaal van Il Trovatore, de opera, mij de nekharen doen rijzen. Hoe Leonora haar geliefde wilde redden uit gevangenschap en hoe zij in ruil voor zijn vrijlating haar hart besloot te verpanden aan de vijand, de man die hem had opgesloten en diens rivaal. …Wat een paniekactie van deze vrouw! Ja, paniek, dat was het. Maar ik bleef het ook een rotstreek vinden. Na afloop van de voorstelling weer buiten, mijn borst nog bol van het schitterende zigeunerkoor, het weergaloze slagwerk, uitgevoerd door zingende geweldenaren die grote stalen hamers met een zwaai lieten neerkomen 
op het blok, kon ik flink van leer trekken. Wie – heeft – dat toch – bedacht! Over de schoonheid van het drama, over specifiek déze uitvoering, maar met name over Leonora en haar… denkfout! Ja, want zodra de vrijlating van haar lief was beklonken, had zij vergif ingenomen om zelf niet verder te hoeven leven als de echtgenote van een ander – de rivaal van haar lief. 
  Wie heeft dat toch bedacht – dat denken voor een ander?
Toen de man er na zijn vrijlating achter moest komen hoe het zat en dit impliceerde dat hij zijn lieveling wel eindeloos dankbaar mocht zijn, was hij tegelijk door haar voor een gruwelijk voldongen feit gesteld; Leonora, zijn allerliefste, zou sterven.          
   Lekker dan, dacht ik.
Wat had Leonora nou toch gedacht? Dat het hem soms om het even was, dat hij uiteindelijk gelukkig te worden, misschien met een andere levensgezel, maar zonder haar…? Daar wilde hij toch niet aan dénken? In mijn ogen was Leonora’s manier van redden een staaltje goedbedoeld ingrijpen zonder enige rekening te houden met hém. Het was baas boven baas in opoffering, vond ik. …Of had zij misschien zijn offer niet erkend?
   Maar degene die na afloop van de voorstelling naast mij terug naar de auto liep – ik te veel in beroering om ook maar te wankelen over de keien voor het operagebouw – begon dan voorzichtig te peilen of ik mij er wel rekenschap van gaf dat het om fictie ging. En, dat ik mijn hart misschien maar moest sparen voor ik dit verhaal zo lijnrecht op de hedendaagse realiteit wilde betrekken… ‘Zeg, je hoeft míj niet aan te vallen,’ het was een vaker gehoorde poging om mijn nabranders te blussen. Dat lukte dan ook onmiddellijk. Rékenschap? Fictie? Termen uit de ratio, de verkeerde kant van het décor! 
  Over denkfouten gesproken. Want aan ‘het is maar fictie’ heb ik geen enkele boodschap. Fictie of niet… het is voor mij geen kwestie. Alles is echt. Alles is echt als je je ermee verbindt. En schrijven – niet meer dan een wormvormig bijproduct van het maken van een verhaal.  (…)

Zoals het lezen van boeken mijn benul van schrijven begrenst, bestaat mijn ervaring met verhalen maken uit de vele lege theater- en concertzalen die ik van binnen heb gezien terwijl ik daar rondloop om mij voor te stellen hoe een ruimte straks feestelijk tot leven moet komen. Schouwen heet dat, ‘locatie schouwen’. Met recht, vind ik; bekijken dek de lading nauwelijks. De informatie komt van alle kanten binnen – zonder kloppen. 

Het zijn de momenten die mij het gevoel geven mijn eigelijke werk te doen voor Fonteyn. Wat daar straks in die ruimte moet gaan gebeuren, zoekt nog zijn verschijningsvorm, en vindt die misschien wel via mij. Het vormgeven van een show begint bij het mij voor te stellen. Door mijn ziel de kale hal te laten bestormen, net zolang tot deze ruimte zich gewonnen geeft – mij eigen is geworden. Het toekomstige evenement komt in licht en vorm via de achterkant van mijn ogen en vindt zijn weg naar het lege vlak dat ligt te lonken naar een nieuw ontwerp. Ik teken het dan moeiteloos.       

In onze sparring over het maken van shows, concerten, opera’s – eigenlijk over alle vormen van live-voorstellingen en hun betekenis voor publiek, zei een bevriende toneelmeester ooit tegen me dat het er bij dit soort dingen, om te beginnen, om gaat je met iets groters te kúnnen verbinden.        
  ‘Je moet weten waar je het voor doet,’ zei hij.  
Bij éen van de vaste theaterlocaties van Fonteyn kom ik hem regelmatig tegen, de oude toneelmeester. Dan staat hij opeens naast mij, in een donkerblauwe trui met stukken op de ellebogen, zijn grote geel-gerookte handen in zijn zij geplant.     
   Soms is hij er als ik daar ben, soms is hij er niet.    
Maar meestal is hij er juist op het moment dat ik naar het lichtplafond sta te turen en mij achter de oren krab over changementen of andere elementen van de show die nauw samenhangen met het lichtontwerp. En het kan mij ontroeren, zoals hij dan zo vanzelfsprekend de tijd neemt om, naast mij staand, mijn vorsende blikken naar het plafond te volgen alsof hij aan het luisteren is naar wat ik denk. Maar of hij nou naast mij staat of niet, met de weerklank van zijn woorden lijkt hij mij keer op keer de oplossing te souffleren. Ja, dat idee van hem beviel me wel, je met iets groters verbinden. Zelf is hij links en rechts ingehaald door jonge toneelmeesters die zich stage managers mogen noemen. Maar: hij weet waar hij het voor doet.   
   Ik weet nog dat het me raakte.        
   …Misschien bedoel ik hetzelfde. 

(…)

Misschien bedoel ik hetzelfde met de rechtstreekse lijn tussen het verhaal en mijzelf. De lijn waarlangs mijn eigen verbeelding wordt gevoed, de lijn waarmee ik mij ‘om te beginnen’ met iets groters kan verbinden.