‘Dit is de voicemail van Rian.
Ik ben er nog niet…’

Mijn naam is Rian. Op de dag dat ik ten huwelijk werd gevraagd,
ontmoette ik ‘mijn’ man. Wat denk je, kun je spelen zonder in te zetten, zonder dat er wat te winnen valt? Kun je vrijblijvend een avontuur aangaan, een verhaal-voor-wat-het-waard-is, en daarmee dan een voorschot nemen op de afloop ervan? Bestáát de plaats die we bedoelen als we zeggen het ‘ergens’ te weten?

(…)

Lucas? Die bleef maar sms’jes sturen. 
Ons gevonden credo ‘er is geen morgen’ leek ook ‘gisteren’, zoals wij samen het begrip zijn lading hadden gegeven, zomaar te zijn gewist. Nu, concludeerde ik. Nu is wat we hebben! En ik zwaaide de deur weer wagenwijd voor hem open…         
    ‘ …naar een concert van De Dijk?’ 

Ik bericht hem dit en draai m’n ogen even naar boven als er bijna direct een rood vignetje verschijnt. Een trits van trillende vlinders trekt door al mijn bloed. Maar beheerst tip ik het berichtje open en ik lees. Zijn volmondig ja. 
    ‘Ja, ik ga met je mee naar De Dijk.’


Hou maar op. 
Voor het eten en al drie rode wijn verder. Flauw sms’je terug van Lucas op mijn ‘kussen’ (‘op je zussen’) nog even niet gewist. Potje geitend zoenen in het souterrain waar hij z’n fikken niet kon afhouden van ‘ow, die bolletjes van je’. 

  … Nee, niet voorbij dus, maar Luc… je bent zó ver weg. 
Die lachrimpeltjes onder je rechteroog en denkrimpel boven je linker, jouw ogen – die krijg ik nog wel te zien, bijna dagelijks, maar je kijkt weg. Je lult een eind in de ruimte. Je zegt dat je met me mee gaat naar De Dijk… en al til je me daar huizenhoog mee op en al probeer je me uit m’n broek te praten in de bezemkast, ik voel me alleen nog week en wankel in je nabijheid.   
   …Waarom stop ik er niet gewoon mee?

Ik droom liever dan dat ik echt wakker word.
   Oké, dan. Laat het dan een droom zijn. 

*

Ze zeggen wel eens, dat je je raadgevers uitkiest op de raad die zij jou waarschijnlijk zullen geven. Natuurlijk. Mijn raadgever; dat kon je wellicht worden als je een stukje verhaal van mij kreeg. En lag in het delen van mijn verhaal – of, moet ik zeggen, het ópdelen van mijn verhaal en het opdienen à la carte, waarbij ik zelf de keuze maak welk stuk – niet des te meer de raad besloten die ik kon verwachten?      
    ‘Jij bent wel erg tolerant,’ zegt oud-collega Josca, en dat ik maar moet proberen een tijdje op mijn handjes te blijven zitten. Dat lukt, zowaar.       Dat hij ‘het lastig in te schatten vindt in hoeverre Lucas met mij speelt, of dat ik hem met mij laat spelen in mijn eigen hoofd,’ zegt de zonderlinge Sasha van 10-hoog met wie ik op late avonden wel eens eten bestel. En ook kan ik het roerend eens zijn met Pé, die voortreffelijk heeft begrepen dat je nooit zó verschrikkelijk kwaad op iemand kunt zijn zonder tegelijk zo blóedveel van hem te houden.        

  …Waren mijn raadgevers dan niet meer dan een stukje van mijzelf, waardoor ik alláng wist wat zij te zeggen hadden? En was het daarom, dat ik het mij kon permitteren hun raad botweg te parkeren?

Hoe jong, slapend of blind ik moge zijn; ik bepaal! Ik maak de soep toch zo heet als ik wil? Ik maak die mix van droom en realiteit en ik voeg er zout aan toe naar smaak. Ik, en niemand anders. En ik zie mijzelf dansen – dansen tot het eind van de avond. Dansen, op de vulkáán! In een nieuw pakje – waarvan jij zei dat ik zoiets eens aan moest trekken, cash gepropt in het zakje dat nog half zit dichtgenaaid, zilveren laarsjes aan m’n voeten en voel de bas tot in mijn stuit.

*

Het was vrijdagmiddag, ergens in december en het had de hele dag gesneeuwd. Ik had haast niet kunnen wachten om te vertrekken van kantoor en was, ook voor de zekerheid, al om drie uur naar de trein gegaan. Een van de laatste treinen, zo bleek; de sneeuw stremde de verdere dienstregeling al snel.          
   Lucas was de hele dag niet op kantoor geweest en ik had geen flauw idee waar hij uithing. Maar het gaf niet. Het moment dat hij later deze dag naast mij zou opduiken was vandaag mijn enige punt op de horizon; dat ik door zijn helder-zoete geur opeens zou merken dat de gozer schouder aan schouder was geschoven alsof hij daar nooit niet had gestaan.

*

…Ik heb ik me er al bij neergelegd; met milde zelfspot heb ik mij er bij neergelegd. Rian gaat tot het gaatje! Ik laat het er op aankomen: hij belt af, of sms’t af, of laat me in het ergste geval zitten, helemaal zonder bericht. En waar hij op inzet, is dat ik hem toch niet zal vragen waarom. Hij kent mij als geen ander en wéét dat ik meer begrijp dan mij lief is. Zo zal het gaan. Ik weet het, ik weet het maar ik droom! Ik droom liever. 
   Ik droom er met open ogen in.

*

Onderweg oefende ik het even met mezelf hoe het zou zijn om het nu al te weten. Te weten dat hij er niet zou zijn; niet aan mijn zijde op een avond als deze. Een spelletje was het, dat ik kon spelen met ernst; een voorschotje nemen op een toekomst waarin ik al wakker was. Blijven ademen! En vriendelijk-attent zijn naar medereizigers, dat soort dingen. Gewoon, de knop vast omschakelen van teleur naar neutraal.  
  Zie je? Het kon best!

  Ting-ting.
En ik kijk naar het ellendige ding in mijn hand.
   Om een lang verhaal kort te maken.  
En nu wilde ik mijn gezicht wel voor de rest van de avond in mijn binnenarm verbergen. Mijn andere arm zacht om me heen. 

*

In een stil restaurantje in de stad at ik de daghap, al kreeg ik die niet op. Om m’n eigen gedachten maar niet te horen focuste ik op Mariah Carry en haar sleebellen uit het plafond. Met een espresso voor m’n neus wachtte ik op Maartje, mijn oude huisgenootje waarvan ik wist dat die ook in deze stad terecht was gekomen. Ik heb een kaartje over voor De Dijk, had ik haar bericht. De sneeuw had roet in het eten gegooid; flink vervelend, vooral voor diegene die deze avond nu moest missen, typte ik. Wilde zij misschien met me mee? ‘k Gaf toe, het was wel een klein beetje last minute na zo’n lange tijd, wijdde ik onnodig uit; wat kon mij het schelen.         
   Maar ik hoefde niet lang te wachten.  
Maartje kwam met rood-gefietste wangen aanzetten en ik smolt toen ik haar zag. Hoe ze opgewekt het tentje binnen stampte en uitgebreid de vestibule besneeuwde met haar snow boots. Vingervlug ruilde ze deze om voor een paar zwarte enkellaarsjes die ze uit een plastic zak schudde. De boots bond zij straks wel op haar bagagedrager! Ze straalde. Mijn hik-snik ging door voor een lach maar kwam uit de plaats waar tranen diamanten waren.

*

De sneeuwstorm schepte een bijzondere band tussen de bandleden op het podium en het toch ruim aanwezige publiek. ‘In de Oosterpoort, onder deze omstandigheden. Ik geloof dat we hier wel vijfentwintig keer gespeeld hebben. Dit is misschien wel de mooiste.’ Hartelijk sprak Huub van der Lubbe de mensen toe. En onhoorbaar in het tumult van de zaal die al snel op zijn kop stond schreeuwde ik: F*ck you, Lucáááás, met een smijtbeweging van een denkbeeldig ding naar een denkbeeldig hoofd, op de bluesvolle beat van OnderuitIk ging dood in haar armen – mijn eigen armen.   
Ik voelde Maartje’s hand even om mijn middel en meedeinend in de opgetogen massa kon ik maar beter even niet opzij kijken. Haar haren zwart. De band is hard. En ze verdween een tijdje.  
   Even later stond Maartje weer naast me, met haar vingers in vier bekers gin-tonic die ze triomfantelijk op neushoogte hield.   
  ‘k Schoot in de lach – vanuit mijn buik. 

Gozer, eerlijk; zo etmalen lang op coke of wat dan ook onder de wereld-wijze vrouwen liggen, dat heb je toch allang gedaan? Been there, done that heet dat, toch? Daar ben jij toch geen drie-en-vijftig voor geworden? Jij wilt toch ook iets nieuws? Gá met me naar concerten. Gá met me naar bed. Gééf je over gozer, ga dood in haar armen. Gá met me mee in mijn droom – een verhaal waarin we het vandaag dat wij samen hebben tot het schitterende gisteren van morgen maken. 

*

Na afloop waren we op- en naast de fiets, onder het donkergele licht over besneeuwde straten giechelend en lallend (‘maar ik kan van je ha-ha-houden…’) naar Maartje’s huis geglibberd. Daar kroop ik dankbaar en naast haar in bed.  
   …Helemaal niéts had ik haar verteld.          
    En geen enkele vraag had zij gesteld. 
Geen enkel verklarend woord ook had vanavond gevonden willen worden. Ik was er in geslaagd om het hele Lucas-verhaal even te fixeren, te laten hangen zoals het was, op zijn on-aanwijsbare plek in het holst van de avond. Een avond, bol van het meest oprechte sentiment zoals het echt maar zelden klinkt en met de voelbare aanwezigheid van een vriend die zo goed raad wist met verdriet dat groter dan éen avond was. …Als je het mij vraagt, was het deze woordeloze versie die zich van A tot Z liet lezen.
   Met opgetrokken knieën had ik de hele nacht met mijn rug tegen Maartje’s warme buik aan gelegen en geslapen,
   zonder te dromen.