‘Dit is de voicemail van Rian.
Ik ben er nog niet…’

Mijn naam is Rian. Op de dag dat ik ten huwelijk werd gevraagd,
ontmoette ik ‘mijn’ man. Wat denk je, kun je spelen zonder in te zetten, zonder dat er wat te winnen valt? Kun je een avontuur aangaan, vrijblijvend, en daarmee dan een voorschot nemen op de goede afloop ervan? 

(…)

Het liep alweer tegen de zomer. Nog even, en we waren het jaar rond.        
Ook een stukkie taart, sms’te ik Lucas op mijn verjaardag, tegen beter weten in. Bij de koffieautomaat kreeg ik de meest warme omhelzing van hem in tijden, en ‘binnenkort een broodje’.    

Wat ik voor hem ben? Ach. Een visioen van een ander leven, niet meer, maar dat er ‘fantastisch uitziet’ in het echt. I know. Gladde overhemdjes maar de spijkerbroek tegenwoordig verruild voor skinny jeans in allerlei kleuren – rood, roze, glimmend zwart of wit, zilver.

*

Daar komt hij aanlopen, zijn jonge, verende tred. In het bekende blauwe jackie maar in een heupbroek die ik nog niet van ‘m ken.          
  Ik heb al even zitten wachten. Hij ontdekt me tussen de mensen op het terras en lacht vrolijk om het witte hoedje dat ik draag vandaag. Een mooie dag.        
   ‘Hee, hoe is ‘t?’      
Hij drukt een kus op m’n wang en hij schuift naast me.          
  En natuurlijk verdrink ik er weer in: zijn blikken en zijn gebabbel; zijn manier van plechtig en nerveus doen als we samen zijn. Het maakt me mild, passend bij het weer, bij de lente die zich zoetjesaan laat gaan.   
 
In een poging op common ground te komen, vertel ik hem op vertrouwelijke toon dat ik al wel een paar keer heb gedacht: dit was het dan.           
  ‘En dan sms je me weer… dat je aan me denkt, vaak aan me denkt.’   
Lucas zegt nu even niets en kijkt mij aan, verbaasd, of is het gevleid; bijna een beetje aandoenlijk.
  Ik vertel hem in vogelvlucht hoe het gaat op de zaak, en doe daarbij met enige zelfspot verslag van mijn aanvaring met Steven van laatst. Hoe ik vind dat de man, sinds de muziekbattle in het stadion, Fonteyn veilig voor het karretje van het bedrijfsleven spant. Terwijl ik liever in zou zetten op muziek, op kunst, ‘hoogwaardig drama’, in elk geval het opkloppen, opstuwen van de gezámenlijkheid van het publiek tot de ruimte ervan barst… Lucas luistert met een glinstering in zijn ogen.   
   Hij haakt in,
…dat ik m’n werk maar goed moet doen. Dat ik nooit m’n nek uit moet steken. En dat ik niet zo moet schoppen. Steven doet toch wel waar ‘ie zelf zin in heeft. 
  En op zijn beurt met zelfspot vertelt Lucas mij hoe hij, terwijl hij nog zó zijn best doet om zijn kinderen op te voeden tot brave burgers, het nodig had gevonden om een brandbom te knutselen; het was met oud en nieuw.  
  ‘Er was drank, het was feest,’ verklaart hij; het was al bijna middernacht, zijn gezin en alle buren stonden buiten in de straat. Er was benzine, er was een granaat. En Lucas verheugde zich op zijn eigen kattenkwaad. Hij moest en zou die knal horen! Zijn Sanneke had haar meiden angstig uit de buurt van de overkapping gehouden en het had twijfelachtig geleken of het huis er straks nog stond. …Die Sanneke moet toch soms zwaar te lijden hebben onder zijn streken.  
  ‘Het lijkt me een hel om met jou getrouwd te zijn,’ zeg ik.     
‘Dat zegt Sanne ook,’ zegt Lucas, iets te snel. ‘”Het is een hel om met je samen te leven.”’
Oh, verhalen, schiet het door me heen. Hij wil mij zien lachen, hij wil me tevreden; hij wil nu de lieve vrede niet breken… Plagerig antwoord ik, hm, die mening deel ik dan weer niet.

   En dan heeft hij het over loslaten.      

Oh, die wrijving die meekomt bij eerlijke woorden. Schuiven op mijn stoel, het zweet dat mij uitbreekt, mijn ogen die afdwalen, want please, hush now, zeg het niet…       
 Ál die prijzenswaardig eerlijke woorden van hem. Als een soort van waarheid, niet al te persoonlijk, gebracht; het is zijn onnavolgbare tact. Precies waar ik om heb gevraagd. Zeg. Het. Niet. Fluister het… 
  Er is wérkelijk geen kruid tegen gewassen, denk ik en ik kijk naar hoe de zomerwind de plukjes blond van zijn kuifje vindt.  
 
   ‘Echt loslaten…’ zegt hij, ‘…dan ontstaan er de mooiste dingen.’  

  Poiiing.

Verderop op het terras zeilt een dienblad tegen de grond. Het klinkt als een gong. Een gong die zijn woorden bekrachtigt. 
  Ik hap naar lucht. 
En Lucas zwaait met een briefje van twintig naar de bediening. Ik betrap mezelf zowaar op een zacht ‘dat was het dan’.  Ik weet even niet wat -en of- ik ‘m moet sms-en daarna. Goed weekend..?  
  We nemen afscheid met een zachte kus en gaan dan ieder weer ons weegs.  

En die arme vlinders in mijn buik mogen weer voor onbepaalde tijd met al hun kracht en concentratie stil-vliegend op éen plek blijven hangen in de ruimte.

*